Blog

Bruce Grobbelaar: fenomeen en frontsoldaat

Bruce Grobbelaar

Voordat Bruce Grobbelaar een legendarische keeper van Liverpool werd, vocht hij als tiener in de burgeroorlog van Rhodesië. De man van de 'spaghetti legs' was frontsoldaat. 

We are part of The Trust Project What is it?

In de succesjaren van Liverpool in de jaren tachtig en begin negentig was Bruce Grobbelaar keeper van dienst. De goalie wisselde waanzinnige reddingen af met onbegrijpelijke flaters. Zijn bekendste moment was in de Europa Cup I-finale van 1984. Tegen AS Roma moesten strafschoppen de beslissing brengen. Grobbelaar posteerde zich onder de lat na eerst in de touwen gebeten te hebben en eenmaal staand op de lijn deed hij zijn 'spaghetti Legs'-act. Met succes. Twee spelers van Roma schoten over. Grobbelaar leek een clown maar was dit zeker niet. In zijn geboorteland Rhodesië vocht hij in de burgeroorlog. In FourFourTwo doet hij zijn verhaal, waar hier een heftig fragment te lezen is. 

"In Rhodesië was de burgeroorlog in alle hevigheid uitgebarsten en in 1975 moest ik onder de wapenen. Ik werd toegewezen aan de eenheid die grenscontroles deed. Dat was allemaal behoorlijk relaxed: mensen controleren die met de auto het land in kwamen en af en toe wat chocola of sigaretten in beslag nemen. Maar op een dag werden we met mortiervuur bestookt, en vanaf dat moment was alles anders. Er vielen gewonden. Opeens kwam het allemaal akelig dichtbij. 

Onze commandant, captain Taylor, vond dat onze eenheid een mobiele moest zijn. Dat hield in dat twintig van ons een speciale opleiding tot tracker kregen, die tot taak hadden de vijand op te sporen, twintig een medische opleiding en twintig een verbindingsopleiding. Slechts tien van ons wisten tracker te worden, onder wie ik. We gingen op een survivalkamp, waar we leerden hoe we moesten overleven als we gevangen werden genomen. We kregen les van mensen die bij de SAS hadden gediend. Ze leerden ons om geen informatie prijs te geven over het regiment waar je deel van uitmaakte en hoe je moest omgaan met ondervraging en marteling. Vervolgens werden we klaargestoomd en in de strijd gedropt. Letterlijk. 

We opereerden in groepjes van vijf. Met een helikopter werden we naar een gebied overgebracht waarvan werd vermoed dat de vijand er actief was. Ze dropten ons tussen de vuurlinies, dus terwijl je langzaam neerkwam, werd er van beneden op je geschoten. Ik heb meegemaakt dat er jongens in hun voeten werden geraakt. Vaak moest je met z’n drieën opereren, totdat de gewonden konden worden vervangen.

Ik weet nog dat ik de eerste keer iemand in de wildernis moest doden. Het is heel anders dan in een film. Als stick leader – dat wil zeggen: de eerste tracker – liep ik voorop. Op een dag, het was nog vroeg, stonden we oog in oog met de vijand. Hij droeg een camouflageoutfit en had zijn geweer in de aanslag, zijn blik was strak op mij gericht. Mijn hart ging tekeer, het bloed bonkte in mijn oren. Ik moest als eerste handelen – en dat deed ik ook. Ik haalde de trekker over en liet me vallen, blij dat ik hem had geraakt voordat hij mij raakte. Opeens hoorde ik overal schoten en ik hoopte alleen maar dat ik nu niet aan de beurt was.

Pas later dringt het echt tot je door wat je hebt gedaan. Ons regiment moest alle doden verzamelen, ook die van de vijand. Dat was een bevel, want het leger kon heel veel informatie door de doden verkrijgen en zich een idee vormen welke regimenten zich waar bevonden. Ik liep terug en als ik een slachtoffer vond dat ik zelf had doodgeschoten, zag ik hoe ik hem had toegetakeld. Ik werd er misselijk van.

Iedereen ging er op een andere manier mee om. Een van de jongens sneed de oren af van iedere vrijheidsstrijder – zo noemde de vijand zichzelf – die hij had gedood en bewaarde ze in een potje. Zijn familie had onder hen te lijden gehad, en hij wilde wraak nemen. Zo’n sterke haat voelde ik niet, maar het was oorlog en je moest verder; ik moest ongevoelig zien te worden voor de situatie waarin ik me bevond.

Marihuana was een goed middel. Je schiet iemand dood en ‘s avonds rol je met de jongens een paar joints om alles te vergeten. Maar het maakt wel wat los in je hersenen. Een paar jaar later was ik in Kaapstad en nam ik een paar trekjes van een joint, en toen gebeurde er iets met me. Ik had het gevoel dat iemand me aanviel en sprong in een zwembad. Ik had er een flashback door gekregen.

In de jungle deed je alles om te overleven. Je at alles wat bewoog. Je smeerde je vol koeienstront om je geur voor de vijand te verhullen. En je doodde. Ik zou niet kunnen zeggen hoeveel mensen ik heb gedood."

Lees het volledige verhaal van Bruce Grobbelaar in FourFourTwo 01/2019

Juninho vrije trappen